Werken met de elementen?

Je wilt gaan werken met de elementen, maar.. je wilt natuurlijk wel weten wat je aan het doen bent. Daarom is het belangrijk om meer achtergrond informatie te hebben. In dit uitgebreide blog gaan we precies daar op in. Je leest over de elementen vanuit verschillende invalshoeken, over je zintuigen en het dualisme. Bekijk na het lezen van dit blog ook eens de donkere zijde van elementen.

De elementen in de filosofie.

Er zou slechts één element in de natuur te vinden zijn, de godheid. Daaraan verbonden zijn 7 elementen. Wetenschappelijk zijn er 4 elementen en filosofisch zijn er 5. Men kan ‘ether’ niet waarnemen. Het ‘Noumenon’, van het Grieks “νοούμενον” betekent ‘dat wat gedacht wordt’. Het is dat wat men in filosofie aanduidt ‘dat wat slechts in de ‘geest’ bestaat’. Gebeurtenissen of zaken die zintuigelijk waargenomen worden, het is een persoonlijke invulling van de waargenomen omgeving. Ze bestaat niet in de reële wereld. De ‘Verlichting’ ontstond in de 18de eeuw. De Eeuw van de Rede, cultuur, filosofie en intellect. De tegenkanting van de dogma. Het gaat om de feiten, ook al zijn ze verborgen.

In deze periode nam de religie af, traditie werd deels verworpen, wetenschap en logica kwam naar voor. We kunnen niks zeggen over de dingen zoals ze op zichzelf zijn omdat we de dingen enkel kennen zoals ze aan ons verschijnen door de zintuigen. Het is de wereld van de ideeën. Kant noemde dit de het ‘Ding an Sich’. De werkelijkheid zoals ze aan ons verschijnt is dus volledig afhankelijk van de persoonlijke gewaarwording en hetwaarnemend vermogen. De mens kijkt door zijn eigen bril naar de wereld. Dat is hoe ze ‘verschijnen’ en niet altijd hoe ze ‘werkelijk’ zijn.

Zintuigen zouden ontwikkeld moeten zijn om het ‘Ding an Sich’ te ontdekken. Voor de Verlichtingsperiode ging men ervan uit dat het ‘kwade’ in de mens huist. Door God en de Kroon zou men dit ‘kwaad’ kunnen bestrijden. De Verlichte mens gaat het ervan uit dat de mens in nature goed is. Ze zijn verantwoordelijk voor hun daden. Hun ethiek was dat het ‘aardse leven’ van belang is. Niet nadat we sterven. Onze voorouders hadden het over ‘een deugdzaam leven te leiden want het karma blijft in de bloedlijn hangen’. Om het nageslacht te vrijwaren van deze ‘schande’ was het deugdzaam leven nodig.

Deugdzaam is niet noodzakelijk ‘goed zijn’ maar wel verantwoordelijkheid nemen. Zo zijn ‘bloedwraak’ en ‘eerwraak’ in sommige hedendaagse culturen ‘goed’ omdat het karma van de ‘bloedlijn’ belangrijker is. Religie, geloof, … heel belangrijke factoren in het handelen van de mens vanuit zijn persoonlijk kader. Het is deze periode dat ‘God’ zijn plaats verloor in de maatschappij. Spinoza schreef in de 17de eeuw dat Joods en Christenen hun geloof een ‘fenomeen’ was. De zintuigelijke werkelijkheid. De mens wordt van buitenaf bestuurd. De wetenschap gaat zo snel vooruit dat men zaken zoals ze vroeger aan God werden toegeschreven niet meer louter ‘geloof’ zijn.

Het is de wetenschap die verklaringen geeft hoe zaken uit zichzelf zijn ontstaan. Hieruit is Deïsme ontstaan, het filosofische en religieuze denken dat God ziet als de schepper van natuurwetten maar dat hij slechts ‘schepper is’ en dus ‘inactief’. Theïsme is geen rationeel denken. Het is een diep geloof. Panentheïsme was dan een gevolg van het Deïsme. Pan (alle) en (in) theos (god). God is immanent in het universum, het universum is een deel van God, God is de drijvende kracht achter het universum. Pantheïsme is niet pantheïsme, want panentheïsme zegt dat het universum niet ‘gelijk’ is aan God maar dat God meer is dan het universum.

God is transcendent = overstijgt de mens. buiten onze zintuigen, buiten onze waarneming. God is immanent = behoort tot de structuur, theorie, dat wat slechts met bewustzijn waargenomen wordt. Christenen zeggen dat ‘immanentie van God’ het altijd bij ons aanwezig is, dat het de innerlijke drijfkracht is en zich in de gehele schepping bevindt. Religies met Pantheïsme zeggen ook dat God immanent is, volgens hen is God in elk deel van de wereld. Goden en Godinnen zijn kenmerkende eigenschappen van de wereld die men kan waarnemen, het zijn de archetypes. Ook wordt God’s wil nog steeds uitgevoerd bij een immanente God. Hij is de schepper van de alledaagse gebeurtenissen. Men ontloopt hierbij zijn verantwoordelijkheid.

Spinoza, Nederlands natuurfilosoof uit de 17de eeuw, was uit de Gouden Eeuw. Een periode gekenmerkt door wereldhandel. Er ontstond een klasse van kooplieden die rijk waren en het bracht de aandacht naar zij die arm waren. Het was de periode van de ‘materiële rijkdom’. Nederland was reeds het land de vrijheid en de Reformatie. Protestanten zeggen dat de Bijbel een individuele interpretatie is die gebaseerd is op eigen geweten. Voor Spinoza was God en Natuur hetzelfde. God is geen entiteit. Hij vond dat rede belangrijker was dan de dogmatische religie. Volgens hem was de Bijbel geschreven door gewone mensen en stelde dat ‘God’ een oneindige substantie is en dat inzicht in de natuur de kennis van het goddelijke overstijgt.

Spinoza was echter een leerling van Descartes, Franse Filosoof en wiskundige die de aard van de menselijke geest omschreef als ‘ego cogito, ergo sum’, Ik denk, dus Ik ben… dat wat overgeleverd is door voorouders kan ook ‘onwaar’ zijn. Net zoals onze ‘eigen waarneming’ onwaar kan zijn. Wat is met volledige zekerheid ‘waar’? Onze zintuigen, onze gewaarwordingen en onze waarneming kan ‘onwaar’ zijn daar ze heel subjectief is. Er is altijd wel een kans dat er een ‘demon’ of ‘kwaadwillendheid’ in de mens huist, in zijn gedachten, gevoelens… die het proces of ontwikkeling wil tegenwerken, die ons wat ‘wijs maakt’.

‘Ego cogito, ergo sum’, men kan aan alles twijfelen, bedrogen worden, of zelf bedriegen,… daar is altijd wel iemand die twijfelt bedrogen wordt. Twijfel ontstaat uit ‘wat er al is’, het ‘denken’. De enige zekerheid die je dan kan vaststellen is dat je bestaat, dat je kunt denken, dat je kan voelen, en dit twijfel kan veroorzaken. Deze stelling is gebaseerd op de stelling van een Grieks filosoof Paunias, ‘ken uzelf’ en van Augustinus uit de 4de -5de eeuw, ‘ Fallor, sum’… Ik word misleid, ik vergis, dus ik besta.

Augustinus bestudeerde de Romeinse Filosoof Cicero. Hij ging op zoek naar de ‘waarheid’ en het ‘zuiver godsbegrip’ dat in relatie stond met het ‘kwaad’. Het was het manicheïsme, gnostische religie binnen het christendom waar ‘gnosis’ de kern was. Mani was een 3de -eeuws theoloog uit Mesopotamië, gebied tussen Eufraat en Tigris, die het manicheïsme introduceerde. Op zijn leer is gnostiek, hermetisme gebaseerd. Gnosis, Griekse woord voor ‘kennis’, verwerven van inzicht, oorsprong, huidige situaties en de bestemming. Centraal staat dat de mens ‘ontstaan is in de goddelijke wereld’, de ‘aardse situatie heeft dus een goddelijke kern’.

Het is het ‘kwaad in de stoffelijke wereld’, de krachten die vernietigend werken zoals hartstocht, noodlot, de passie, …. Dat wat gevangen zit in het lichamelijke omhulsel… wie de werkelijke situatie kan herkennen heeft de ‘goddelijke kern’ gevonden en kan dan ook terugkeren naar deze ‘goddelijke kern’, dat is gnosis. Dit is ook de christelijke gnosis. Het is het ‘Licht’ en ‘Donker’ dat in ieder mens huis, de Duisternis en het ‘goddelijke Licht’. We vinden dit ook terug in de schepping van de kosmos, onafhankelijk van elkaar, dualiteit. In de oertijd was er licht en duisternis, alles op de wereld bestaat uit deze licht en donker. Aangezien God Licht is, moest Donker wel een andere entiteit zijn.

De mythe van Mani is dus dualisme. Het Rijk van God is zuiverheid, licht, kracht en wijsheid. De Grote Vader verblijft hierdoor in 5 ‘huizen’, verstand, denken, inzicht, gedacht en overleg. (lucht, wind, vuur en water en licht). Hij wordt omgeven door 12 aeonen1, werelden, die zijn verdeeld over 4 gelijkmatige windstreken, noord, oost, zuid en west. Gnostici werden als ketter beschouwd. Hun kennis was gebaseerd op oudere mysteriën die de kerk en de christelijke leer verwierp. De wereld is geschapen door de lagere engelen, de aeonen. Het is een occulte waarheid. Het vuur is het hoogste punt, dat wat manifesteert. Het universele beginsel, en de oneindige kracht die bevat is in ‘mogelijkheid’.

Het was oerknal, en tweevoudig van karakter, het had een geheime kant, het zichtbare en onzichtbare. Het zichtbare is aanwezig in het onzichtbare en het onzichtbare is aanwezig in het zichtbare. Het denkbeeld van Plato’s ‘to noeton’ en het waarneembare ‘to aistheton’. Aristoteles had het over het potentiële vermogen ‘dunamis’ en daad ‘energeia’. Alles wat men kan denken, waardoor men zich laat leiden, is intelligentie en dus bevat vuur alles. Ze is de vatbaar voor ontwikkeling, uitbreidend en emanatie (het Ene, de intelligentie, het idee dat zich emaneert vanuit de Ziel (psyche) en een actief principe kent van materie (geëmaneerd uit de Ziel), de rationele structuur.

filosofische benadering van de 5 elementen

Emanatie

Plotinus vergelijkt het “Ene” met de “Zon”, ze straalt licht uit, is onuitputtend, onaangetast en onveranderd. Religies zoals Joods, Christelijk en Islamitisch zijn niet verenigbaar met dit principe. De zon straalt, zij geeft zichzelf energie en zonnewind, dit voor haar eigen stoffelijke wezen. Alles op aarde is sterrenstof en door de zonne-energie leven we. Dus we zijn een manifestatie van zonnestof. Maar door de zwaartekracht zal de zon materie naar zich toetrekken. Een bergmeertje komt voort uit een ander bergmeertje.. wat lager is ontvangt van het hogere, het water is steeds water maar verandert van moleculaire vorm als er een andere bron aan toegevoegd wordt. Het vermengt zich.

Ook de mens is zo ingesteld, er is een stoffelijk lichaam en een vernieuwing (pysche). Vuur is rede, intelligentie, ontwikkeling, uitbreiding en emanatie. Geestelijke emanatie is dat er behalve materie ook bewustzijn aanwezig is. Het is de essentie van alles. Het vloeit dus emaneert, in geestelijke manifestatie. Wijsheid, denken, levenskracht, gevoelens waar structuur in verborgen zit. Net zoals in de fysieke vorm. Hierdoor vormt de mens in zijn geheel een geestelijk en stoffelijk geëmaneerd wezen die samenwerkt met andere geëmaneerde wezens. Deze manifesteren zich in een kern van het menselijke wezen. God, emaneert in vele wezens die wijsheid bezitten maar zich ook weer in de lagere wezens kunnen emaneren. Antropomorfisme.

Het antropomorfisme is een ‘menselijke’ voorstelling maken van geestelijke wezens. Dus menselijke eigenschappen toekennen aan de niet-menselijke wezens. Goden, dieren, voorwerpen… dit in uiterlijk, karakter en gedrag. Het is uit het Griekse ‘mens’ ἄνθρωπος / ánthrōpos en ‘gedaante’ μορφή / morphē ontstaan. Een scheppende God is creationisme, hij is uit het niets ontstaan en toch bestaat in de eigen creatie. Het Vuur staat dan symbool voor onze actieve en levende kant van de goddelijke natuur, zij bezit een oneindige potentialiteit binnen een potentialiteit. Dat wat standhield, standhoudt en zal standhouden. De blijvende stabiliteit en de onveranderlijkheid van de verpersoonlijkte menselijke vormen. De wereldziel, Latijn: Anima mundi, is de etherische geest waarvan de wereld doordrongen is. het bezield alle dingen van materie en de ziel van een mens.

De wereld is beschouwd als een levend wezen, het bezit ziel en intelligentie. Alles wat leeft is met elkaar verbonden. De wereldziel is tot Plato terug te voeren. De levenskracht van het universum en terug te vinden in de Oosterse filosofie. (Brahman-Atman en Mahat (maha-buddhi, de grote ziel). Een Islamitische wijsgeer Al Farabi beschrijft als ‘vanuit de hogere sferen naar de lagere sferen, waarbij het Ene de godheid, de intelligentie en de wereldziel hun oorsprong vond, en van waaruit ideeën de kosmos werd gevormd. Een andere platonist, Bernard van Chartres stelde dat de materie oorspronkelijk in een chaotische toestand was en dat van daaruit orde werd gecreëerd.

De Natuur is een organisme. Willem van Conches zei een christen de Wereldziel met de Heilige Geest geïdentificeerd kon worden. Bij het occultisme vinden we dit principe terug als ‘goddelijke intelligentie. De brahma’s met zijn 7 denkvermogen geboren zoons in 2 lijnen, oorspronkelijken en aartsengelen (resp. Asura’s en dhynaichohans). De dhyani-chohans, ofwel aartsengelen, zijn de Zonen van Vuur en Vlam, de hogere aeonen. Het is het stoffelijke (fysieke) en innerlijke (niet stoffelijke) die de innerlijke kosmos vormen. De werkelijkheid. De 2 lijnen zijn het zaad, wortel en vrucht van de levensboom, ons centrum, verbonden met het mystieke en kosmische werk. De Zoon van de Zon, Egyptische koningen werden zo betiteld. Het is de innerlijke constitutie die door inwijding doorheen ruimte en tijd kon reizen. Zoon van Zon is niet enkel Egyptische kennis maar ook van vele anderen volkeren en rituelen. Zij werden de leraars van de anderen.

Een mens kan pas volledige ontwikkeld zijn als hij spiritueel, verstandelijk, psychisch, vitaal, astraal en fysiek de elementen bezit en verbonden is met zijn innerlijke god. Het is het vermogen tot denken dat de ‘goddelijke ideatie’ komt handelen. Denken en handelen gaan hand in hand. Objectieve kant is het Vuur van de Moeder, Verborgen kan is de Vader. Dus actief en passief (man en vrouw) werken samen als één geheel doch op afzonderlijke wijze. Iedereen kan nadenken, iedereen bezit eigenschappen van de goddelijkheid en het is aan hem of haar om het hoogste zelf te bereiken. Augustinus keerde zich af van het manicheïsme en schakelde over naar het neoplatonisme van Plotinus, waarbij het kwaad omschreef als de beroving van het goede, dus waar de menselijke wil zich van God heeft afgewend.

Neoplatonisme verwijst naar platonisme maar met een vernieuwende filosofische insteek van Plotinus uit de 3de eeuw. De nadruk ligt op de metafysica en esoterie met oosterse visie. Er zijn overlappingen met het gnosticisme, hermetisme, en het zeer vroege christendom waar de Bijbel niet letterlijk werd geïnterpreteerd maar allegorisch was. Plato, grondlegger platonisme, 5de eeuw voor Christus, was een Grieks filosoof. Hij was de leerling van Socrates en Aristoteles. Zij hebben een grote invloed op het Westerse denken. Plato was de stichter van de Atheense Akademeia. De ideeën gaan naar het metafysische realisme, de zichtbare werkelijkheid met onvolmaakte afspiegelingen uit het universum.

Plato beschreef Socrates begrippen en discuteerde met mensen over de definities. Hij weerlegde deze vaak door een sofistische visie. Wat is moed? Wat is vriendschap? Wat is rechtvaardigheid? … meestal kon geen definitie gegeven worden maar het gaat erom dat men het gewoon ‘niet weet’. Het is het aanzetten tot nadenken. Deze dialogen noemt men aporetisch. Zonder positieve uitkomst. Socrates en Plato waren overtuigd dat een individu de ethische waarden kon overstijgen. Protagoras, ook uit de 5de eeuw voor Christus was een sofist, een presocratisi.

• “Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan”
• “De mens is maat van alle dingen. Van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.”
• “Over elke zaak bestaan er twee opvattingen, die tegenover elkaar staan”

Hij was een agnosticus, de niet-wetende, de twijfelaar over dat er wel of niet een god is. Wat is het absoluut criterium dat er goden bestaan? Het is ook geen absoluut criterium dat een mens die naakt over straat loopt verkeerd is. Het bestaan van Goden is niet met verstand te vatten. Men kan beter vertrouwen hebben in het eigen oordeel dat door waarneming ontstaat. Dat is een scepticisme dat bij sofisten terugkeert als ze antwoorden zoeken over de belangrijke levensvragen. De twee andere stellingen zijn relativisme.

Plato schrijft over de onjuistheid ervan. Protagoras zegt dat deugden aangeleerd kunnen worden, net als het succesvolle leven. Maar het was Plato die ook de vier elementen heeft omschreven naar hun aard en vorm, ‘de samengestelde lichamen en hoe ze samengesteld zijn en hoe ze ontbonden worden’. De verering van de kosmos, is gericht naar het ‘noumenon’ (dat wat gedacht wordt) wat altijd aanwezig is.

De elementen en symboliek

Vuur, water, lucht en water… het zichtbare, het zijn de symbolen van de bezielende, de onzichtbare zielen of geesten… het zijn de kosmische goden vereerd door eenvoudige denkers maar erkend en geëerd door de wijzen. De waarneembare elementen hadden dus ook noumenale elementen, zij waren bezield door de elementalen, de natuurgeesten in de lagere rangen. De orfische hymen spreken over een goddelijk ei, dat door aetherische winden worden bevrucht. De wind is de ‘Geest van God’ zij is boven de ‘chaos’. Plato zegt dat het goddelijk ‘idee’ in de aether beweegt.

Maar dit leidt naar de Katha Upanishad, waarin purush, de goddelijke geest, voor de oorspronkelijke stof. Het is de geest en de stof die verenigen in de grote wereldziel, de maha-atman, ook wel de universele ziel of de anima mundi genaamd. Theürgen en kabbalisten noemen dit het astrale licht. Volgens Plato en Aristoteles waren de onlichamelijke grondbeginselen dus verbonden met de 4 grote delen van de kosmische wereld. Dit maakt dat het oorspronkelijke en dus zeer oude geloof een ‘magie’ was waarin de contacten tussen de werelden bestond. Deze krachten hadden een hiërarchie. De 7 stadia, die grijpbaar en ongrijpbaar zijn. Het zevenvoudige in de werkelijke kosmische rangorde, scheikundig of fysiek van aard, te herleiden tot een zuiver spirituele samenstelling. Goden zijn de filosofie.

Christenen en protestanten zouden eerbied moeten tonen voor de 4 elementen. Het Pentateuch wordt namelijk mystiek beschreven in de Bijbel. De tent die het heilige der tenten bevat, het kosmisch symbool gewijd aan de elementen, de 4 hemelstreken, de ether. Deze zouden in het wit gekleurd zijn, de kleur van ether. In Egyptische en Hebreeuwse tempels zou een reusachtige gordijn zijn, gedragen door 5 zuilen. (sanctum sanctorum), het huidige altaar. Dit was enkel toegankelijk voor priesters.

Het was een scheiding tussen ingewijden en de niet-ingewijden. De 4 kleuren symboliseren de vier belangrijkste elementen, deze duiden op het goddelijke die door 5 zintuigen verkregen kan worden en waarbij men hulp krijgt van de elementen. Chaldeeuwse orakels zijn de denkbeelden over de 4 elementen plus ether. Het zegt dat alle dingen uit de aether voortkomen en dat ze daarheen terugkeren. Het is daar waar alle dingen onuitwisbaar zijn afgedrukt. De voorraadschuur van de overblijfselen van de zichtbare vormen en de denkbeelden.

De elementen waren theologisch in zijn opgegaan in Jehova. De symbolen, de elementen zijn in elke oude cultuur terug te vinden. Ze vormt de eenheid van de volledige natuur en de schepping. De kosmische goden maar steeds naar één kosmische natuur, de schepper. Het waarneembare, de manifestatie van de ongrijpbare goden, werden magisch. Het is de oorzaak en het gevolg. Het is de spiritualiteit en de creërende macht, de verbinding van Lucht, Water, Aarde en Vuur. De aard is dat ze in werking met elkaar zijn.

De hedendaagse mens heeft geen gevoel meer met de natuur, de eenheid van zijn Natuur en met de Natuur, men heeft verbinding verloren met de mysterieuze. Het ‘bijgeloof’ heeft nog een verbinding maar ze wordt afgewezen. Zo heeft het Orakel van Dephi geadviseerd om ‘aan de winden te offeren’ als de vloot van Xerxes hen nadert, Israëli’s offeren aan wind en vuur als verering voor hun God. Christenen offeren aan God voor gunstige omstandigheden. Dat zijn allemaal elementen waar zij voor offeren om hen gunstig gezind te zijn. Alles bestaat uit een één creërende kracht en bestaat uit elementen die tweevoudig van aard zijn.